Onze titels

€ 12,95
Quakers

In dit boek van de filosoof, literator en godsdienstwetenschapper Rufus Jones wordt de wezenskern van de Quakers op warmbloedige wijze belicht. De geschiedenis, religie, mentaliteit, pedagogische uitgangspunten en het humanitaire werk van de Quakers worden aangevuld met een artikel van Rudolf Otto over hun zwijgende eredienst. Ook is een compilatie van een lezing die Abraham Joshua Heschel hield voor een quakerbijeenkomst in het Duitsland van vlak voor de oorlog toegevoegd. Een lezing die aan actualiteit nog niets heeft ingeboet. Op verantwoorde godsdienstwetenschappelijke wijze is dit klassieke werk geactualiseerd en aangevuld met gegevens die voor de Nederlandse lezer van belang zijn.

€ 14,90
De genadereligie van India en het christendom . Religieuze overeenstemmingen

Rudolf Otto was een Duits luthers theoloog en een vooraanstaande godsdienstwetenschapper die een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de comparatieve (vergelijkende) godsdienstwetenschap van zijn tijd. In zijn hoofdwerk benoemt hij het heilige als de essentie van iedere religie. Het heilige is voor Otto iets wat tegelijkertijd vrees en fascinatie opwekt. Hij introduceerde ook het adjectief numineus, om te verwijzen naar het geheimzinnige, wat tegelijk kracht uitstraalt. Otto: 'Wanneer je van omen omineus kunt maken, dan ook van numen numineus'. Deze term is in de Nederlandse literatuur gebruikt door onder meer Hella Haasse, Johan Polak, Gerard Reve en Harry Mulisch. Otto was aan diverse Duitse universiteiten hoogleraar in de systematische theologie. Een bekende uitspraak van hem is: 'Godsdienst is de beleving van het mysterie en het komt tot uiting als het gevoel zich openstelt voor de indrukken van het eeuwige dat verschijnt door de sluier van het tijdelijke.' In 1917 verscheen van de hand van Rudolf Otto een studie over Het Heilige. Daarin werd gebroken met de idee dat heiligheid iets is wat uit de religieuze mens voortkomt, zoals de 19e-eeuwse godsdienstsociologie had gesteld. Heiligheid is, integendeel, iets wat ongrijpbaar buiten de mens is en hem raakt. Het is ontzagwekkend en anders. Het boek werd een bestseller en is thans ook nog in vele talen verkrijgbaar.Rudolf Otto is beroemd geworden door zijn boek getiteld Das Heilige, über das Irrationale in der Idee des Göttlichen und sein Verhältnis zum Rationalen, waarin hij het begrip 'heilig' heeft geanalyseerd op een manier die diepe indruk maakte. Otto is een geleerde met een fijn gevoel voor religieuze kwaliteitsverschillen, maar het is de vraag of de fenomenologie niet meer te danken heeft aan zijn boekje Indiens Gnadenreligion und das Christentum. In de vergelijking van de verschillende typen van mystiek toont Otto zich namelijk een meester. Hier is een waarachtig schouwen van het wezen. Rudolf Otto laat zien, hoe het Voor-Indiase geloof in genade naar de terminologie met het christelijke sterke overeenkomst vertoont, maar naar de godsdienstige houding diep verschilt. Dit is fenomenologisch genuanceerd ontleed. In het voetspoor van Nathan Söderblom en Rudolf Otto beschouwt de moderne godsdienstwetenschap het heilige meer en meer als een van de voornaamste kernwoorden van de religie. Je kan je afvragen of dit het kenmerkende begrip bij uitmuntendheid is. Maar het kan moeilijk worden ontkend, dat zich in dit heilige het onherleidbare karakter van de godsdienst openbaart.

€ 29,95
Vormen van de religieuze ervaring

The Varieties of religious experience van William James behoort tot de belangrijkste publicaties van de godsdienstpsychologie. Het is een briljant geschreven werk dat onmiddellijk na het verschijnen in 1902 zeer sterk de aandacht trok van een uitgebreide lezerskring. De wetenschappelijke discussie om dit boek laaide hoog op en bracht het denken van James nog meer dan toen reeds het geval was in het centrum van velerlei beschouwingen. De oorzaak daarvan ligt zowel in de indringende wijze waarop James het wezen van de religieuze verschijnselen trachtte doorlichten als ook in de literaire vormgeving.6e herziene en vermeerderde druk 2010

€ 29,50
Het heilige

AWEHet Engelse woord is moeilijk te vertalen. Ontzag, eerbied, vrees - maar dat is het toch niet. Huiver, geen goed Nederlands woord, komt het dichtst bij de betekenis van awe. Awe, men moet naar dit woord luisteren. Rudolf Otto maakte in zijn befaamde boek Das Heilige de woorden numineus en het numineuze, als hij 'die eigentümliche Kategorie des Heiligen' wenst te benoemen. Hij heeft het woord afgeleid van numen, dat wenk betekent: gebiedende knik. In het verlengde daarvan: goddelijk bevel, goddelijke macht.Wij kennen het allen. Niet alleen en zelfs niet allereerst in verband met een kerk of een tempel. Een landschap kan numineus zijn. Een bosrand in de lichte nevel van een herfstavond. De woestijn! Wie de Dode Zee ziet met haar loden water, met de uitgemergelde rotsen aan deze en aan de overzijde van het meer, met de enkele, haast onmogelijke oase, kan vermoeden dat het land daar, hoe anders het wellicht vroeger heeft geleken, eremieten herbergde, profeten voortbracht, en tot de vreemdste bespiegelingen aanleiding gaf.Daar, in de aanwezigheid van awe, van numen, begint elk geloof. Geen mens zou ertoe komen een tempel, een kapel, een kerk te bouwen wanneer de aarde niet verschillend bedeeld was met numen. Waar overvloed bestond van dat numen, daar werd het heiligdom gebouwd.Reformatorisch DagbladRecensie door J. C. KarelsDe geheime kamer van het kasteel In 1917, als de oorlog als een fantoom uit de loopgraven bij Ieper en de Marne omhoog kruipt, verschijnt een boek dat spoedig wereldwijd resoneert: "Das Heilige" van de Duitse godsdiensthistoricus Rudolf Otto. Van de klassieker kwam onlangs een Nederlandse vertaling op de markt, vergezeld van een bundel beschouwingen over deze wijze uit het Westen. Otto's tijdgenoot Karl Küssner wist zich te herinneren welke indruk "Das Heilige" overal maakte. "Ik zag het in de boekenkast bij dokters, leraren, fabrikanten, bij journalisten en diplomaten in verschillende landen, hoorde in Engelse arbeidersscholen, in de salons van de Franse intelligentsia, in kringen van Amerikaanse academici, van Indische Sanskrietleraren over Otto spreken. Gandhi stond met hem in contact en schatte zijn werk hoog." In Nederland vond Otto een warm pleitbezorger in prof. dr. G. van der Leeuw, die zijn magnum opus karakteriseerde als "een van die weinige wetenschappelijke daden die de vanzelfsprekende vooronderstelling vormen van elk verder onderzoek." In "Het heilige" neemt Otto niet het uitgangspunt in een bepaalde godsdienst, kerk, beweging of confessie, maar in het religieuze beleven zelf. In plaats van ideeën over God en het goddelijke, onderzocht hij de aard van de godsdienstige ervaring. Otto had Luther gelezen en van hem begrepen wat de "levende God" betekent voor een gelovige: geen filosofische constructie of abstractie, maar een "mysterium tremendum et fascinans", een angstaanjagend en tegelijk fascinerend en aantrekkend geheimenis. Die tweeheid loopt als een rode lijn door het boek. Otto spreekt, in navolging van Calvijn en Von Zinzendorf, van het "numineuze", het heilig-goddelijke dat als ambivalente grootheid ontoegankelijk is voor elke vorm van rationalisme, en alleen door tekentaal en vingerwijzingen benaderd kan worden. "Het heilige" is een liefdevolle en subtiele ontvouwing van dit numineuze. "Wat is nu eigenlijk dat objectief, buiten mij gevoelde numineuze zelf?" vraagt Otto. "Het gevoel van het mysterium tremendum kan met milde stroom het innerlijk vervullen in de vorm van zwevende stille stemming van verzonken eerbied. Zo kan het overgaan in een rustig vloeiende gestemdheid der ziel, die lang aanhoudt en natrilt, tot zij uiteindelijk wegsterft en de ziel weer in het profane achterlaat. (...) Het kan worden tot het stille en deemoedige sidderen en verstommen van de creatuur voor het - ja waarvoor? Voor wat in onuitsprekelijk geheimenis boven alle creatuur is." Kremlin Dertien kinderen telde het lutheraanse gezin waarin Rudolf Otto (1869-1937) als twaalfde telg ter wereld kwam. Vader Wilhelm was fabrikant. Moeder overleed toen Rudolf twaalf was. Aan haar droeg hij in 1898 zijn dissertatie over Luthers opvatting van de Heilige Geest op. Otto blikte later terug op zijn nest als "de hechte kring van een eenvoudig en bekrompen milieu." Als schooljongen legt hij belangstelling voor andere godsdiensten aan de dag. Door een rooms-katholieke kameraad laat hij zich over de heiligen voorlichten. In het liberale Göttingen studeert Otto godsdienstwetenschap en filosofie. Studiereizen voeren hem naar het Midden-Oosten, Noord-Afrika, India, Birma, China, Japan en Siberië. In brieven en verslagen vertelt hij over zijn ervaringen, doortrokken van een intense beleving: "Ik heb het Sanctus Sanctus Sanctus van de kardinalen in de Sint-Pieter gehoord, het Swiat Swiat Swiat in de kathedraal van het Kremlin en het Holy Holy Holy van de Patriarch in Jeruzalem. In welke taal dan ook, deze woorden, de hoogstverhevene ooit door menselijke lippen gevormd, raken je in het diepst van je ziel, met een machtige huivering het mysterie van die andere wereld die erin verborgen ligt oproepend en openbarend." In 1914 volgt zijn benoeming als hoogleraar in Breslau, enkele jaren later gevolgd door die in Marburg. Vanuit heel de wereld stromen studenten naar zijn colleges. Als in 1917 "Das Heilige" verschijnt, wordt het in het Frans, Engels, Italiaans, Nederlands, Spaans, Zweeds en Japans vertaald. Otto legt een verzameling objecten en cultische voorwerpen uit allerlei godsdiensten aan, die tegenwoordig nog als "Religionskundliche Sammlung" in Marburg te zien is. Mensen die hem ontmoetten, raakten van hem onder de indruk, "meer dan van zijn persoonlijkheid, van een eigenaardige macht en mysterie achter hem, alsof hij een andere wereld toebehoorde. Men voelde het, als hij zweeg", schrijft vergelijkend godsdiensthistoricus Rudolph Boeke. Ondanks alle ontmoetingen leidde Otto een eenzaam leven, op zijn wandelingen slechts vergezeld van zijn hond Flapp. Een enkele keer zong hij in zijn tegen de berg gebouwde woning een lied. Otto geeft verder handreikingen die in huidige discussies over bijbeltaal en liturgische liedteksten een rol zouden kunnen spelen. "Hoe komt het", vraagt hij, "dat juist de ouderwetse en inmiddels soms ondoorzichtige uitdrukkingen in bijbel en gezangboek en de 'andere' manier van zeggen in beide, dat zelfs de half of geheel onverstaanbaar geworden cultustaal de vroomheid geen afbreuk doen maar juist vergroten? Is dat ouderwetse liefhebberij of alleen het blijven hangen aan het overgeleverde? Zeker niet. Het komt doordat het gevoel van het mysterie, van het "gans andere", hierdoor opgewekt wordt en zich hieraan vasthecht." Otto geeft verder handreikingen die in huidige discussies over bijbeltaal en liturgische liedteksten een rol zouden kunnen spelen. "Hoe komt het", vraagt hij, "dat juist de ouderwetse en inmiddels soms ondoorzichtige uitdrukkingen in bijbel en gezangboek en de 'andere' manier van zeggen in beide, dat zelfs de half of geheel onverstaanbaar geworden cultustaal de vroomheid geen afbreuk doen maar juist vergroten? Is dat ouderwetse liefhebberij of alleen het blijven hangen aan het overgeleverde? Zeker niet. Het komt doordat het gevoel van het mysterie, van het "gans andere", hierdoor opgewekt wordt en zich hieraan vasthecht." Sprookje Er gaat een oud sprookje, dat in allerlei vormen bij veel volken voor komt. Hoofdmotief is het meisje dat of de jongen die alleen achter worden gelaten in een groot kasteel. Van alle kamers krijgt de sprookjesheld de sleutels in handen, op één kamer na. Lezing van "Das Heilige" bepaalt weer eens bij wat we al wisten, maar hier onnavolgbaar geformuleerd vinden: dat er een verborgen kamer is, waaromheen al het menselijk hopen en vrezen zich beweegt. Na lezing van het adembenemende "Das Heilige" blijf je als lezer verbaasd achter over Otto's diepzinnigheid en subtiele inzichten. Deze man brengt het denken voor een moment tot stilstand.