Rudolf Otto, biografie € 19,90
Rudolf Otto, biografie

Vijfenzeventig jaar geleden stierf Rudolf Otto na een leven dat gekenmerkt wordt door triomf en tragiek. Verslaafd aan morfine, depressief en gesloopt door malaria kwam er een tragisch einde aan het veelbewogen leven van de Pruisische politicus, theoloog, filosoof en wereldvermaarde godsdienstkenner Louis Karl Rudolf Otto.Vier jaar lang incasseert de fijngevoelige Rudolf Otto het getreiter van Rudolf Bultmann en de hypocrisie van Martin Heidegger. Met het aanzwellen van het laarzen­gestamp wordt Otto steeds melancholieker. Op een herfstdag in 1936 begint hij aan zijn laatste, eenzame tocht naar de spookachtige ruines van Burg Staufenberg.NBC/Biblion, LeidschendamRecensie'Het boek bevat een aantal documenten en artikelen over leven en werk van de briljante geleerde R. Otto (1869-1937). Hij was hoogleraar in de systematische theologie aan een aantal Duitse universiteiten, waaronder Marburg. Naast de theologie van Barth, die weinig of geen belevingsaspecten toelaat, plaatst Otto de metafysische beleving die hij volledig erkent en nauwgezet beschrijft. Zijn standaardwerk is Das Heilige (1917), dat als misschien het beste theologische boek uit de twintigste eeuw wordt beschouwd. Na dit boek heeft hij vele reizen naar Azië gemaakt om de godsdiensten daar te bestuderen. Hij hield vast aan zijn christelijk geloof, maar erkende de andere godsdiensten als gelijkwaardig. Het heilige komt volgens Otto niet uit de mens voort en veroorzaakt een numineuze ervaring, schrikwekkend zodanig dat een mens door huivering bevangen wordt, maar dit wel beleeft als een positieve ervaring. De naam ervoor is mysterium tremendum'. Otto beschrijft het als verschijnsel, waarom hij tot de fenomenologen wordt gerekend. Wie Das Heilige nooit heeft gelezen, kan door dit boek toch een goede indruk krijgen van de inhoud en de waarde ervan, alsmede van het leven van Otto zelf.' NBC/Biblion, LeidschendamUitgeverij AbraxasRecensie door Julia Boulanger'Deze biografie werpt een nieuw licht op de relatie tussen Martin Heidegger en Rudolf Otto. Ondersteund door citaten van verschillende filosofen van naam wordt voor het eerst duidelijk hoe door het dominante gedrag van Heidegger (ondersteund door Rudolf Bultmann) de mede door Otto geïnitieerde godsdienstwetenschap de nek om wordt gedraaid. Door een vergelijking van beider ethische grondhouding wordt voor het eerst duidelijk hoe het komt dat Heidegger op grond van zijn filosofische ideeën de kant van het Hitler-regime kiest en hoe rücksichtslos hij zijn ethische houding toepast op zijn filosofische en persoonlijke relaties. Los van het feit dat Heidegger door zijn optreden de oorzaak was van Otto's door teleurstelling ingegeven verzoek tot vervroegd emiraat is het belang van dit relaas vooral gelegen in de feiten van de door filosofie ingegeven levenshouding van Heidegger. Gezien de statuur van deze filosoof is het wetenschappelijk relevant dat deze 'Marburgse feiten' nu onderbouwd gepubliceerd zijn. De ethische grondhouding van Otto laat zien dat zijn houding tot volstrekt andere keuzes leidt. Dat Otto in de periode tussen 1930 en 1937 met zijn filosofie het onderspit moest delven is vanuit politiek oogpunt meteen helder. Dat zijn 'val' werd ondersteund door de regressieve filosofie en handelswijze van een van de grootste denkers ooit, heeft verregaande consequenties voor de beoordeling van Heideggers gedachtegoed.' Met bijdragen van Ger Groot en J.-J. Suurmond. Het mag dan een kleine biografie zijn, het is wel de meest complete die er momenteel mondiaal beschikbaar is. Ondanks het gegeven dat het om een Nederlandse tekst gaat (de onderhandelingen voor een Duitse en Engelse vertaling zijn nog gaande) speelt deze uitgave een rol op het internationale Rudolf Otto-congres in Marburg. (rudolf-otto.com)ReflectieRecensie door Aat-Lambèrt de KwantAat-Lambèrt de Kwant Rudolf Otto Het kwetsbare leven Biografie Abraxas 2012 Vijfenzeventig jaar geleden overleed na een dramatische val van de toren van Stauffenberg Rudolf Otto (1869-1937). Verslaafd aan morfine, zwaar depressief en gesloopt door malaria, opgelopen tijdens een van zijn vele reizen, kwam er een einde aan het bewogen leven van deze Pruisische politicus, theoloog, filosoof en wereldvermaarde godsdienstkenner Louis Karl Rudolf Otto. In deze rubriek aandacht voor deze boeiende theoloog, die wat eigen ervaring en kwetsbaarheid betreft, zijn tijd vooruit was. 'Het kwetsbare leven' bevat een aantal documenten en artikelen over leven en werk van alto, die hoogleraar was in de systematische theologie aan een aantal Duitse universiteiten, waaronder Marburg. Naast de theologie van Barth, die weinig of geen belevinqsaspecten toelaat, plaatst Otto de metafysische beleving die hij volledig erkent en nauwgezet beschrijft. Zijn standaardwerk is 'Das Heilige' (1917), dat als misschien het beste theologische boek uit de twintigste eeuw wordt beschouwd. Na de verschijning hiervan maakte hij vele reizen naar Azië om daar de godsdiensten te bestuderen. Hoewel zijn christelijke achtergrond een belangrijke rol bleef spelen, erkende hij ook de andere godsdiensten als gelijkwaardig. Zijn intense zoektocht naar criteria voor religieuze waarachtigheid, en zijn voortschrijdende inzichten over de wisselwerking tussen de rationele en niet-rationele elementen in de religie, is kenmerkend voor zijn oeuvre. Hij introduceerde begrippen die later hun weg gevonden hebben in allerlei domeinen. Naast de theologie en religiewetenschap geldt dit ondermeer voor literatuur, kunst en psychologie, zoals bijvoorbeeld bij Jung. Voor wie Otto een onbekende is, krijgt door dit boek toch een duidelijk beeld van wie Rudolf Otto was, alsook een beeld van zijn grote betekenis.

Hoe, vader word je weer een vlinder? € 24,90
Hoe, vader word je weer een vlinder?

Hoe, vader word je weer een vlinder? gedichten van Mark Mastenbroek waarvan sommige bij schilderijen van Mary Noothoven van Goor

De onsterfelijkheid van het bewustzijn € 16,90
De onsterfelijkheid van het bewustzijn

Volgens William James heeft onze hedendaagse cultuur een probleem met denken over leven na de dood. Allerlei populair-wetenschappelijke werkjes beweren keer op keer dat ons spirituele leven volstrekt afhankelijk is van de werking van de hersenen. Hoe is het dan mogelijk dat die functie blijft bestaan, nadat dit orgaan niet meer bestaat? Hij poneert dan de volgende stelling: Het denken is een functie van de hersenen. De vraag is dan, dwingt deze theorie ons werkelijk het geloof in onsterfelijkheid op te geven? Moet ze echt het logische denken volgen en de hoop op een hiernamaals opgeven voor de plicht om alle consequenties van een wetenschappelijke waarheid te aanvaarden? 'Ja', zullen de meeste mensen zeggen. 'Nee', zegt William James, 'stoom is toch ook niet het ultieme doel van de fluitketel?' Met grandeur, humor en milde ironie presenteert de filosoof William James twee bezwaren tegen de stelling dat 'hersenen slechts een productieve functie hebben'. Het is fascinerend hoe James' ideeën aansluiten bij een aantal hedendaagse gedachten over het 'hiernamaals'. Het is deze actualiteit die dit scherpzinnige betoog de lof toekent van een kleine klassieker.Weblog over geloof en wetenschapRecensie door Dr. Taede A. SmedesOnlangs las ik een beroemd essay van William James (1842-1910): "Human Immortality: Two Supposed Objections to the Doctrine". Een werkelijk prachtig stukje werk, waarin hij een zeer originele bijdrage levert aan het hele debat over de mogelijkheid of onmogelijkheid van een onsterfelijke ziel. Het essay is feitelijk een lezing die James hield. De lezing begint dan ook met wat informeel blabla, maar dan komt James los. Hij stelt dat onze moderne cultuur een probleem heeft met het denken over a life hereafter. Het probleem is dat door fysiologen en in veel populaire wetenschappelijke werken en tijdschriften voortdurend wordt gesteld dat ons spirituele leven volstrekt afhankelijk is van hersenprocessen. Hoe kunnen we nog in een leven na de dood geloven als we naar menselijke gedragingen kijken, dan zien we dat menselijk bewustzijn sterk verbonden lijkt met hersenfenomenen. We weten dat bepaalde gebieden in de hersenen betrokken zijn bij zien, horen, spreken, etc. Dit leidt tot de centrale formule die James opstelt: Thought is a function of the brain. En hij vraagt het publiek (en daarmee de lezer) om deze formule uiterst serieus te nemen. De vraag die vervolgens echter rijst is, of deze formule logically compelling is om het geloof in onsterfelijkheid overboord te gooien. De meeste mensen, zo zegt James (en we kunnen het hem nog steeds nazeggen), zouden hier volmondig 'ja' op antwoorden. Ja, we moeten geloof in onsterfelijkheid overboord gooien als onze geestelijke vermogens te herleiden zouden zijn tot louter hersenprocessen. James echter meent dat het fout is en dat de formule in strict logic no deterrent power heeft. Het eerste punt is dat we veelal geneigd zijn om de relatie tussen onze geestelijke vermogens en het brein strikt te bekijken vanuit het perspectief van slechts één functionele afhankelijkheid, namelijk die van productie: dat denken een functie van het brein is, wordt equivalent gedacht aan uitspraken als "stoom is de functie van een waterkoker" of "licht is een functie van het electrische circuit" of "electriciteit is een functie van de waterval". De functie is in al deze voorbeelden productief: het een brengt het ander voort. En ja, als het orgaan wat de functie produceert ermee ophoudt, zodat de productie niet langer kan doorgaan, then the soul must surely die. Such a conclusion as this is indeed inevitable from that particular conception of the facts. James' these nu is dat when we think of the law that thought is a function of the brain, we are not required to think of productive function only; we are entitled also to consider permissive or transmissive function. Maar op wat voor manier moeten we ons die doorgevende functie van het brein voorstellen? Stel, zegt James, dat er onder de zichtbare werkelijkheid nog een onzichtbare werkelijkheid is, en dat onze zichtbare werkelijkheid slechts een vernislaagje is dat die andere wereld verbergt en terughoudt. En stel verder dat af en toe dat vernislaagje wat dunner wordt en iets van de stralen van die andere werkelijkheid doorlaat. These beams would be so many finite rays, so to speak, of consciousness, and they would vary in quantity and quality as the opacity varied in degree. Onze hersenen functioneren dus als een soort tv-toestel of radio dat signalen opvangt, filtert en omzet, en vervolgens in andere vorm (nl. beeld en/of geluid) doorgeeft. Ons bewustzijn is datgene wat wordt doorgegeven. Je ziet dus, zegt James, dat het materialisme een heel eenzijdige benadering van het woord "functie" heeft. En het zou wel van een zekere irrationaliteit getuigen als we een alternatief voor de materialistische visie moedwillig zouden negeren. Maar is deze visie dan niet strijdig met de wetenschap? Nee, zegt James, want als je goed kijkt naar de wetenschappelijke data, dan zie je dat die slechts kan aantonen dat bewustzijn vergezeld gaat van hersenactiviteiten en vice versa. Er is dus sprake van bare concomitant variation. Als de hersenactiviteit verandert, verandert de bewustzijnstoestand - maar opnieuw, impliceert dit logisch noodzakelijk dat de bewustzijnstoestand voortkomt uit, geproduceerd wordt door de hersenactiviteit? Nee dus. We zien slechts beide samen voorkomen, maar dat impliceert niet met logische noodzakelijkheid dat het een uit het ander voortkomt. Hier zien we dus dat James Hume's ideeën over causaliteit goed bestudeerd heeft. Bovendien, zegt James, kun je altijd een hersenwetenschapper de vraag stellen hoe die productie van bewustzijn door hersenactiviteit in zijn werk gaat. Je zult zien dat een hersenwetenschapper dan met de mond vol tanden staat. Maar hoe zit het nu met onsterfelijkheid? De transmissie-idee veronderstelt dat er altijd een "bewustzijnswerkelijkheid" is die achter of onder onze waarneembare werkelijkheid schuilgaat, en dat menselijke hersenen die werkelijkheid filteren en doorlaten, zodat iets ervan in onze werkelijkheid zichtbaar is namelijk als bewustzijn en levenskracht. Als onze hersenen echter defect raken of zelfs sterven, dan zal die bewustzijnswerkelijkheid zelf natuurlijk niet verdwijnen. De signalen zullen dan vervormd worden en wellicht zal ons bewustzijn verdwijnen (in de zin van niet meer zichtbaar zijn voor anderen). Maar de bewustzijnswerkelijkheid zelf blijft. Maar moeten we ervan uitgaan dat er slechts één bewustzijn is? Zou het niet zo kunnen zijn dat er verschillende "bewustzijnen" zijn, misschien net zoveel als er levende dingen zijn? Hier lijkt James een link te leggen met Aristoteles' idee van de ziel als de vorm van levende wezens. Want inderdaad, zegt James, hoewel wij altijd naar eenvoud streven, is het niet uit te sluiten dat er net zoveel bewustzijnen zijn als dat er levende wezens zijn. En dat, bovendien, al die bewustzijnen overleven na de dood. En dat geldt niet alleen voor mensen en dieren, maar - conform Aristoteles - voor alle levende dingen. Wie weet bestaat het bewustzijn van elk levend wezen wat ooit geleefd heeft nog steeds, hoewel we het niet kunnen waarnemen. Ergo, concludeert James, For my own part, then, so far as logic goes, I am willing that every leaf that ever grew in this world's forests and rustled in the breeze should become immortal. It is purely a question of fact: are the leaves so, or not? Abstract quantity, and the abstract needlessness in our eyes of so much reduplication of things so much alike, have no connection with the subject. For bigness and number and generic similarity are only manners of our finite way of thinking; and, considered in itself and apart from our imagination, one scale of dimensions and of numbers for the Universe is no more miraculous or inconceivable than another, the moment you grant to a universe the liberty to be at all, in place of the Non-entity that might conceivably have reigned. Het denken over de relatie tussen hersenen en de ziel in termen van transmissie, is een mogelijkheid die we niet kunnen uitsluiten, zegt James. Dat wel doen would be letting blindness lay down the law to sight. Ik heb hier slechts een fractie van de boeiende gedachtestrengen van James weergegeven - het loont werkelijk het hele essay zelf te lezen. Het interessante en actuele aan dit essay van James is bovendien, dat het zeer dicht in de buurt komt bij (door wetenschappers omstreden) ideeën die door bijvoorbeeld Pim van Lommel en Dick Mesland worden besproken.

Geschiedenis van de westerse astrologie € 27,50
Geschiedenis van de westerse astrologie

De astrologie behoort tot de oudste wetenschappen van de mensheid. Ze speelde niet alleen in de grote vroege beschavingen maar ook in de Europese cultuurgeschiedenis een belangrijke rol. Ze oefende invloed uit op de ontwikkeling van de natuurwetenschappen te beginnen met astronomie, natuurkunde en scheikunde. Ze werd verwerkt in filosofie en godsdienst en gaf de doorslag bij politieke beslissingen met verregaande consequenties. Kocku von Stuckrad beheerst de kunst deze verschillende aspecten te bundelen in een totaaloverzicht en laat zo de betekenis zien van een stroming binnen de Europese geschiedenis van wetenschap en cultuur die dikwijls is verwaarloosd en die men doorgaans slechts met enige smetvrees benadert. Dit duidelijk geordende en zeer informatieve boek is in de eerste plaats een eerste klas inleiding tot de systemen van astrologische interpretatie. Het gaat vergezeld van een woordenlijst met uitleg van de belangrijkste begrippen. Dit boek is een 'must' voor iedereen die zich interesseert voor de geschiedenis en voor de huidige praktijk van de astrologie ? om het even of men al dan niet zelf speurt naar de wisselwerking tussen het hemelse en het aardse.Süddetsche ZeitungRecensieDit invoelende boek is een goede introductie tot de geschiedenis van een oeroud cultuurfenomeen en geeft inzicht in het astrologische gedachtegoed.

Quakers € 12,90
Quakers

In dit boek van de filosoof, literator en godsdienstwetenschapper Rufus Jones wordt de wezenskern van de Quakers op warmbloedige wijze belicht. De geschiedenis, religie, mentaliteit, pedagogische uitgangspunten en het humanitaire werk van de Quakers worden aangevuld met een artikel van Rudolf Otto over hun zwijgende eredienst. Ook is een compilatie van een lezing die Abraham Joshua Heschel hield voor een quakerbijeenkomst in het Duitsland van vlak voor de oorlog toegevoegd. Een lezing die aan actualiteit nog niets heeft ingeboet. Op verantwoorde godsdienstwetenschappelijke wijze is dit klassieke werk geactualiseerd en aangevuld met gegevens die voor de Nederlandse lezer van belang zijn.Nederlandse Bibliotheek Dienst (Biblion b.v.)Recensie door N. da CostaDit boek verscheen voor het eerst in het Engels in 1927. In korte duidelijke hoofdstukjes krijgt de lezer een goed inzicht in het geloof van de Quakers: in ieder mens is de goddelijke vonk aanwezig die aanspoort tot een volwaardig menselijk, liefdevol leven. Met geestverwanten zijn deze vrienden zo'n driehonderd jaar geleden een beweging begonnen die voortbestaat tot op de dag van vandaag. Quakers zijn ervan overtuigd dat via mystiek een innerlijk zachtmoedig geloofsleven kan worden bereikt en dat God onze wereld alleen geschapen heeft ten goede en dat alle mensen dat goddelijke ideaal kunnen bereiken. Ze zijn vooral in de praktijk gericht op uitvoering van deze gedachten. Nederland telt het voorbeeld van Woodbrook in Barchem, een conferentieoord waar mensen geïnspireerd kunnen worden. Er is geen vaste kerkelijke structuur of leefwijze nodig. In deze tijd vooral is hun geloofsbeleving en levensinstelling bijzonder sympathiek. Dit boekje is aanbevelenswaardig. Want het is leerzaam en inspirerend om te lezen hoe zachtheid en rust kunnen overleven. Met een voorwoord door de befaamde Duitse theoloog Rudolf Otto (1869-1937).

Het boekje over het bewustzijn na de dood € 22,50
Het boekje over het bewustzijn na de dood

De Duitse medicus, natuurkundige en filosoof (1801-1887) vat zijn filosofie van panpsychisme ('alles heeft bewustzijn') samen en legt uit hoe het bewustzijn de dood van het lichaam kan overleven.Het woord psyche, levenskracht of geest, heeft oude bronnen. In de zestiende eeuw werd psyche gekoppeld met logos, woord of studie. Zo ontstond psychologie, de wetenschap die bewustzijnsverschijnselen onderzoekt.De natuurkundige Gustav Fechner ontwikkelde in 1850 een wet over de relatie tussen geest en lichaam. Dit was van belang omdat de filosoof Emmanuel Kant had voorspeld dat de psychologie nooit een wetenschap kon worden omdat het onmogelijk zou zijn de processen experimenteel te meten.De bijdrage van de methode van Fechner was dat psychologie losstond van filosofische veranderingen, wetenschappelijk was en niets meer met ziel of geest te maken had. Alles was empirisch te verklaren.Het was William James die uit Fechners woorden een dubbel Leitmotiv distilleerde. Fechners bevindingen openden de deur voor de mogelijkheid van een wetenschappelijk kwantitatieve psychologie én een lans brak voor een even revolutionaire als visionaire metafysica. Als de relatie tussen de spirituele wereld en de wereld van natuurkundige verschijnselen in wiskundige termen te beschrijven valt, betoogde Fechner, dan betekent dit dat er tussen die twee werelden een rechtstreeks verband bestaat, waarbij het primaat aan de zijde van de spirituele wereld ligt. Dit was iets om over na te denken.De openingszin van het Boekje over het leven na de dood is opvallend voor de man van de empirische benadering: 'De mens leeft niet eenmaal op aarde, maar driemaal. In de eerste fase leeft de mens eenzaam in het duister. In de tweede leeft hij tussen anderen maar zonder relatie met hen. In het derde leven leeft hij waarlijk in gemeenschap.'Een ontwikkeling van lichaam naar ziel, naar geest, de drie fasen van de groei van het bewustzijn. Bij het sterven van het separate zelf, het ego, wordt de mens zich levend bewust van de omvang van de 'universele geest'.placido: De kunst om ijdel in dwaling en onrecht te volharden, noemt men leven. Wie dat eenmaal inziet, ziet het niet meer. Dat is de dood.goethe: Stirb und Werde - Sterf en kom tot leven.rudolf steiner: Wie het eigen wezen doodt, die leeft een eeuwig zijn.oftewel: Wie niet sterft voor hij sterft, gaat te gronde als hij sterft.Benedictijns Tijdschrift 2014/3Recensie door Frans BerkelmansTheo Fechner (1801-1887) was een spiritueel denker die vanuit de natuurkunde een brug wist te slaan naar de filosofie. Dit klassieke werkje, daterend uit 1836 en herdrukt in 1866 en 1887, verdient inderdaad hernieuwde aandacht, waarvoor Herman Groenewegen & Daniël Mok hun lezenswaardige motivatie schreven (blz. 74-119) en de inleiding van William James (1909) lieten vertalen (pp. 13-18).NBC|BiblionRecensie door Taede A. Smedes; philosopher of religion, theologianGustav Theodor Fechner (1801-1887), eerst opgeleid tot medicus, veranderde later naar natuur- en scheikunde en brak daarin door. Nadat hij in 1840 door een oogkwaal tijdelijk bijna blind werd, ging hij zich vanaf 1843 richten op filosofie en psychologie. Met zijn "psychofysica" waarin de samenhang van lichaam en geest bestudeerd werd, had hij invloed op o.a. William James en Gerardus Heymans. In het traktaatje over het leven na de dood uit 1836 (oorspronkelijk gepubliceerd onder het pseudoniem "Dr. Mises"; in 1866 opnieuw uitgegeven onder eigen naam) vat Fechner zijn ideeën over het kosmisch bewustzijn en het bestaan na de dood samen. Bewustzijn blijft ook na de dood bestaan. Vrij van beperkingen stroomt het zich uit in de natuur en beïnvloedt het de kosmos, die ten diepste ook uit bewustzijn bestaat. De doden beïnvloeden de levenden o.a. wanneer er aan hen gedacht wordt. Interessante lectuur, speculatief, esoterisch en dogmatisch. Leesbaar vertaald. Vergezeld van het voorwoord van James bij de Engelse vertaling, en een groot artikel van redacteur Daniël Mok en Herman Groenewegen.

Edmund Husserl € 19,90
Edmund Husserl

Edmund Husserl (1859-1938) is een van de meest invloedrijke filosofen ooit en grondlegger van de fenomenologie. Alles wat wij door middel van ons bewustzijn kunnen kennen - denkend, ervarend, voorstellend of waarderend - heeft Husserl 'fenomenen' genoemd. Fenomenologie is bij hem een wezensleer van het bewustzijn en zijn objecten. Het is een stroming die ook in de pedagogiek, psychologie en sociologie ingang heeft gevonden.De fenomenologie, de leer der verschijnselen, staat tussen de vermelding van een chaotisch aantal feiten en de doorgevoerde abstractie van een alomvattend waardeoordeel in. Zij probeert structuren te zien in de verwarrende berichtenstroom, maar stelt het oordeel nog even uit. Er moet ruimte komen voordat de beslissingen vallen. Fenomenologie kan de wetenschap van het tussenrijk genoemd worden want zij voert een rechtmatig interregnum. Nadat de gegevens zijn samengebracht en voordat de systematische ordening en definitieve beslissingen kunnen inzetten, komt haar de leiding toe in de geestelijke bezinning. Zij leeft tussen de empirische werkelijkheid en de waarheidsvraag.Fenomenologie wil niet oordelen, interpreteren of vertalen, maar begrijpen. Fenomenologie is de wetenschap van het zuivere bewustzijn. Het is een denken zonder vooroordelen dat verschijnselen en mensen in hun eigenwaarde tot hun recht wil laten komen. Het is een zuivere benadering, van mens tot mens, van geest tot geest.Zelden beperken wij ons ertoe om de verschijnselen waar te nemen zonder in te grijpen. Wij hebben de neiging om actief op te treden en te gaan experimenteren. We veranderen de biotische omstandigheden en dan mag de vraag gesteld worden in hoeverre we uit de zo verkregen data conclusies mogen trekken over het verloop dat de verschijnselen gehad zouden hebben, als wij er ons er níet mee hadden bemoeid. Omringd door een kunstmatige wereld is de onbevangen kijk, waarmee de archaïsche mens de natuur aanschouwde, uit het zicht verdwenen.Die WeltRecensie door Johanna Schmeller"Die Auseinandersetzung mit dem peinlich sauber formulierten Quer- und Neudenker, der in Halle, Göttingen und Freiburg lehrte und gemäß dieser Biografie einen altmodischen Lebensstil beibehielt, lohnt. Die Darstellung der Münchner Philosophin Verena Mayer kondensiert Husserls Werk überzeugend." Johanna Schmeller, Die Welt, 25. April 2009

Het heilige en het profane € 22,50
Het heilige en het profane

Mircea Eliade roept in dit inmiddels klassieke werk de antieke wereld op die nog geen scheiding kende tussen het heilige en het alledaagse.Het dagelijkse leven was ingebed in het heilige. Een huis was niet alleen praktisch maar ook heilig omdat het een afspiegeling was van het scheppingswerk van de goden. De opening in de nok was niet alleen een rookafvoer maar symboliseerde vooral de blijvende verbinding met de kosmos.Eliade schetst een wereld van betekenissen achter betekenissen en laat in dit meesterwerkje met veel overtuigende voorbeelden zien hoe inhoud en structuur van ons onbewuste verbazingwekkende overeenkomsten vertonen met de mythologieën van álle volkeren op aarde.Het religieuze met zijn rituelen en symbolen bepaald nog steeds het leven van de mens. Zelfs de seculiere maatschappij berust op religieuze structuren.Biblion/NBCRecensieEen klassieke fenomenologische inleiding in de godsdienstwetenschap die 'beschrijft in welke verschijningsvorm het heilige zich voordoet en de situatie van de mens beschrijft in een wereld die geladen is met religieuze waarden' (pagina 17). De auteur benoemt het heilige als macht en realiteit. De verschijningsvormen ervan in ruimte en tijd, in natuur en kosmos, en in het menselijk bestaan worden in vier hoofdstukken beschreven. Nadruk ligt op de niet-hedendaagse vormen. De geschiedenis van de godsdienstwetenschap krijgt een apart hoofdstuk en het nawoord geeft toelichting op de titel. Voorzien van uitgebreide noten en literatuurverwijzingen, plus verklarende woordenlijst, biografische notitie, bibliografie en register. De prettige en intelligente vertaling is van verschillende gerenommeerde handen. Dit deel 6 in de reeks'Fenomenologische klassieken' is een aanrader voor ieder die de studie van de ervaring van het of de Andere - het numineuze - ter harte gaat. Zie ook de andere delen in de reeks over onder meer Rudolf Otto en William James. De meest recente Nederlandse 'erfgenaam'van Eliade is Tjeu van den Berk, met bijvoorbeeld 'Het numineuze'.

God zoekt de mens € 32,50
God zoekt de mens

"Voor filosofen is de idee van het goede de hoogste en meest verheven gedachtegang.Voor het jodendom is de idee van het goede het op één na hoogste.Het goede kan niet bestaan zonder het heilige.""Religie begint met gevoel voor het onzegbare; filosofie eindigt met het gevoel voor het onzegbare.Religie begint waar filosofie eindigt."Abraham Joshua Heschel is een van de belangrijkste joodse denkers van de 20ste eeuw. 'Een militante mysticus' zoals Time hem eens beschreef. God zoekt de mens is het kernboek van Heschels oeuvre. De godsdienst, zegt Heschel, raakte niet in verval omdat hij weerlegd werd, maar omdat hij saai, benauwend, zouteloos werd. Wanneer geloof vervangen wordt door leer, aanbidding door regels, liefde door gewoonte, wanneer geloof alleen spreekt namens het gezag en niet met de stem van het mededogen, dan wordt zijn boodschap zinloos.Godsdienst is een antwoord op de diepste vragen van de mens. In 'God zoekt de mens' verricht Heschel een speurtocht naar vergeten vragen, filosofie als de kunst van het stellen van de juiste vragen.In zijn filosofie van het jodendom komen de essentiële vragen aan de orde en de antwoorden die het jodendom daarop te geven heeft.Fenomenologische klassieken bij Uitgeverij Abraxas, Amsterdam4e geheel herziene druk, 2011NBC/BiblionRecensie door Wim KleisenIn 2005 verscheen een nieuwe druk van dit klassieke boek over de filosofie van het jodendom. Die was gebaseerd op een in 1985 verschenen uitgave in de vertaling van H. de Bie. In principe is daar geen verandering in aangebracht, maar wel is de redactie van de tekst aangepast aan eigentijdse lezers. Woorden zijn vervangen, moeilijke woorden worden toegelicht, zinnen zijn anders geformuleerd. In de voetnoten zijn ook veranderingen aangebracht, niet meer actuele verwijzingen zijn weggelaten, actuele toegevoegd. Ook de typografie is veranderd: tussenkopjes, kopregels en hoofdstuktitels komen nu meer naar voren. Er zijn een register, een essay over Heschels fenomenologische methode en kleine afbeeldingen toegevoegd. Zo is het boek voor lezers van deze tijd aangepast, terwijl dit standaardwerk van joodse rationele spiritualiteit in zijn waarde is gelaten. Heschel herschept het joodse geloof in een spirituele zienswijze. Wie vastloopt in het wat theoretische eerste hoofdstuk, moet maar verder gaan met het tweede. Dan zal dit uiterst waardevolle boek geen problemen meer opleveren. Eventueel kan men deze uitgave als dagboek gebruiken door elke dag een stukje te lezen en te overdenken. Het boek kan de religiositeit van joodse en christelijke lezers verdiepen en verrijken.

De sabbat & vernieuwing van de moderne mens € 19,90
De sabbat & vernieuwing van de moderne mens

ELEGANT EN OP MEESLEPENDE WIJZE Schetst Heschel de betekenis van de sabbat in onze huidige cultuur. Hij geeft antwoord op vragen als: Waarom bestaat er een rustdag? Hoe werd deze een heilige dag? Waarom is de sabbat in de gehele wereld geaccepteerd?DE SABBAT, inmiddels een klassiek werk uit de joodse spiritualiteit, is gelezen door duizenden mensen met verschillende levensvisies op zoek naar een ori atiepunt binnen de moderne samenleving. In deze korte, diepzinnige beschouwing over de betekenis van de zevende dag ontvouwt Heschel zijn indrukwekkende en invloedrijke idee over een heilige bouwkunst die niet in de ruimte verschijnt maar in de tijd. He jodendom, betoogt hij, is een religie van tijd: de echte betekenis ligt niet in de ruimte en de dingen daarin, maar in de tijd en de eeuwigheid die de ruimte bezielen, zodat de sabbatsdagen onze grootste kathedralen zijn.IN DE OVERIGE ZES ESSAYS bespreekt Heschel de waarde van onze inspanningen, de reikwijdte van onze verwachtingen en de betekenis van onze daden. Hij benadrukt dat het heilige een universele aanwezigheid is en geen enkele religie de waarheid kan claimen. Heschel erkent het nut van dogma¿s maar het gaat hem niet om vorm, inhoud of strijdvragen. Het gaat om de realisering van waarden waarvan de geest van alle tijden zich spottend, verbitterd of onverschillig lijkt af te keren, maar die zich ook door de eeuwen heen onverwoestbaar hebben getoond.Vlijmscherp herleidt Heschel het probleem van goed en kwaad tot de vermenging van deze machten: goed en kwaad, eens zo helder als dag en nacht, zijn vervaagd en wazig geworden.`God is geen concept, geen symbool, geen fictie maar een roep. Geen verklaring maar een uitdaging.¿Abraham Joshua Heschel laat zien dat er een pad loopt naar een wereldomvattende spirituele ontmoeting en samenwerking.Uitgeverij Abraxas, AmsterdamRecensie door Julia BoulangerDe sabbat; zijn betekenis voor de moderne mens. Een essay dat bij wil dragen tot een modern begrip van een van de fundamentele joodse tradities, de sabbat, op meeslepende wijze beschreven door Abraham Joshua Heschel, een der belangrijkste joodse denkers van de 20ste eeuw. Heschel schetst diepgaand en grondig de betekenis van de sabbat in het jodendom en zijn rol in onze cultuur en geeft antwoord op vragen als: Waarom bestaat er een sabbat? Hoe werd hij een heilige dag? Waarom is de sabbat in de gehele wereld geaccepteerd? Van Heschel verscheen eerder in Nederlandse vertaling bij Uitgeverij Abraxas 'God zoekt de mens'.Benedictijns Tijdschrift 2007/4RecensieDe fenomenologische bibliotheek die uitgeverij Abraxas bezig is op te bouwen, telt inmiddels al een half dozijn werkelijk sublieme werken. Nadat zij reeds God zoekt de mens van Abraham Heschel heeft uitgegeven, laat zij nu De sabbat volgen alsmede een zestal essays over gebed, heiligheid, psychologie en moraal. Het boek wordt besloten met een beschouwing over oecumene; het is de tekst van de toespraak die Heschel in 1963 hield tijdens een ontmoeting met kardinaal Bea in New York. Abraham Joshua Heschel weet weergaloos te formuleren en zijn wijsheid is superieur. PB

De rijkste man van Babylon € 24,90
De rijkste man van Babylon

De invloed van Mesopotamië kan niet worden overschat. Grandeur en handelsgeest brachten het land tot duurzame welvaart waar iedereen door hard werken tot zijn recht kon komen.George Clason beschrijft de werkwijze die het oude Perzië zo'n langdurige periode van vrede en grote rijkdom heeft geschonken. Als een soort wet van de zwaartekracht gebruikten de Babyloniërs economische regels die waren gebaseerd op eerlijkheid, handigheid, werklust en afspraak is afspraak.In tien levendige verhalen wordt je meegenomen in de dynamische wereld van het Babylonisch-Assyrische Rijk en spelenderwijs leer je de zeven gouden regels voor welvaart en welzijn.Dit boek kent ontelbaar veel lezers en iedereen is er beter van geworden. Rijkdom, succes en wijsheid gaan hand in hand.PiCartaRecensie door Biblion|NBCDe auteur, George Clason (1874-1957), was van oudsher gefascineerd door het machtige en welvarende rijk van Babylon. In 1926 werd een boek uitgebracht waarin zijn verhalen over dat rijk waren gebundeld. De verhalen gingen over alledaagse burgers van Babylon die vertelden over hun manier van financieel management. Het boek zit vol met metaforen en laat de lezer kennismaken met universele en tijdloze mechanismen om geld te beheren en veilig voor je te laten werken. Maak onder meer kennis met Bansir, de wagenbouwer, die advies vraagt aan een rijke medeburger over hoe rijkdom te vergaren. Of Arkad, de welgestelde man die door zijn wijsheid omtrent geldbeheer een vermogen had opgebouwd en een respectabel burger was geworden. Aan de hand van de zeven geldwijsheden, welke tot op de dag van vandaag hun waarde tonen, wordt aangetoond dat iedereen welvarender kan worden. Verzeker je van toekomstige inkomsten, bescherm je vermogen, en beheers je uitgaven, zijn enkele van de regels die je dient toe te passen. Dit boek geeft inspiratie aan jong en oud.

Het heilige € 28,50
Het heilige

AWEHet Engelse woord is moeilijk te vertalen. Ontzag, eerbied, vrees - maar dat is het toch niet. Huiver, geen goed Nederlands woord, komt het dichtst bij de betekenis van awe. Awe, men moet naar dit woord luisteren. Rudolf Otto maakte in zijn befaamde boek Das Heilige de woorden numineus en het numineuze, als hij 'die eigentümliche Kategorie des Heiligen' wenst te benoemen. Hij heeft het woord afgeleid van numen, dat wenk betekent: gebiedende knik. In het verlengde daarvan: goddelijk bevel, goddelijke macht.Wij kennen het allen. Niet alleen en zelfs niet allereerst in verband met een kerk of een tempel. Een landschap kan numineus zijn. Een bosrand in de lichte nevel van een herfstavond. De woestijn! Wie de Dode Zee ziet met haar loden water, met de uitgemergelde rotsen aan deze en aan de overzijde van het meer, met de enkele, haast onmogelijke oase, kan vermoeden dat het land daar, hoe anders het wellicht vroeger heeft geleken, eremieten herbergde, profeten voortbracht, en tot de vreemdste bespiegelingen aanleiding gaf.Daar, in de aanwezigheid van awe, van numen, begint elk geloof. Geen mens zou ertoe komen een tempel, een kapel, een kerk te bouwen wanneer de aarde niet verschillend bedeeld was met numen. Waar overvloed bestond van dat numen, daar werd het heiligdom gebouwd.Reformatorisch DagbladRecensie door J. C. KarelsDe geheime kamer van het kasteel In 1917, als de oorlog als een fantoom uit de loopgraven bij Ieper en de Marne omhoog kruipt, verschijnt een boek dat spoedig wereldwijd resoneert: "Das Heilige" van de Duitse godsdiensthistoricus Rudolf Otto. Van de klassieker kwam onlangs een Nederlandse vertaling op de markt, vergezeld van een bundel beschouwingen over deze wijze uit het Westen. Otto's tijdgenoot Karl Küssner wist zich te herinneren welke indruk "Das Heilige" overal maakte. "Ik zag het in de boekenkast bij dokters, leraren, fabrikanten, bij journalisten en diplomaten in verschillende landen, hoorde in Engelse arbeidersscholen, in de salons van de Franse intelligentsia, in kringen van Amerikaanse academici, van Indische Sanskrietleraren over Otto spreken. Gandhi stond met hem in contact en schatte zijn werk hoog." In Nederland vond Otto een warm pleitbezorger in prof. dr. G. van der Leeuw, die zijn magnum opus karakteriseerde als "een van die weinige wetenschappelijke daden die de vanzelfsprekende vooronderstelling vormen van elk verder onderzoek." In "Het heilige" neemt Otto niet het uitgangspunt in een bepaalde godsdienst, kerk, beweging of confessie, maar in het religieuze beleven zelf. In plaats van ideeën over God en het goddelijke, onderzocht hij de aard van de godsdienstige ervaring. Otto had Luther gelezen en van hem begrepen wat de "levende God" betekent voor een gelovige: geen filosofische constructie of abstractie, maar een "mysterium tremendum et fascinans", een angstaanjagend en tegelijk fascinerend en aantrekkend geheimenis. Die tweeheid loopt als een rode lijn door het boek. Otto spreekt, in navolging van Calvijn en Von Zinzendorf, van het "numineuze", het heilig-goddelijke dat als ambivalente grootheid ontoegankelijk is voor elke vorm van rationalisme, en alleen door tekentaal en vingerwijzingen benaderd kan worden. "Het heilige" is een liefdevolle en subtiele ontvouwing van dit numineuze. "Wat is nu eigenlijk dat objectief, buiten mij gevoelde numineuze zelf?" vraagt Otto. "Het gevoel van het mysterium tremendum kan met milde stroom het innerlijk vervullen in de vorm van zwevende stille stemming van verzonken eerbied. Zo kan het overgaan in een rustig vloeiende gestemdheid der ziel, die lang aanhoudt en natrilt, tot zij uiteindelijk wegsterft en de ziel weer in het profane achterlaat. (...) Het kan worden tot het stille en deemoedige sidderen en verstommen van de creatuur voor het - ja waarvoor? Voor wat in onuitsprekelijk geheimenis boven alle creatuur is." Kremlin Dertien kinderen telde het lutheraanse gezin waarin Rudolf Otto (1869-1937) als twaalfde telg ter wereld kwam. Vader Wilhelm was fabrikant. Moeder overleed toen Rudolf twaalf was. Aan haar droeg hij in 1898 zijn dissertatie over Luthers opvatting van de Heilige Geest op. Otto blikte later terug op zijn nest als "de hechte kring van een eenvoudig en bekrompen milieu." Als schooljongen legt hij belangstelling voor andere godsdiensten aan de dag. Door een rooms-katholieke kameraad laat hij zich over de heiligen voorlichten. In het liberale Göttingen studeert Otto godsdienstwetenschap en filosofie. Studiereizen voeren hem naar het Midden-Oosten, Noord-Afrika, India, Birma, China, Japan en Siberië. In brieven en verslagen vertelt hij over zijn ervaringen, doortrokken van een intense beleving: "Ik heb het Sanctus Sanctus Sanctus van de kardinalen in de Sint-Pieter gehoord, het Swiat Swiat Swiat in de kathedraal van het Kremlin en het Holy Holy Holy van de Patriarch in Jeruzalem. In welke taal dan ook, deze woorden, de hoogstverhevene ooit door menselijke lippen gevormd, raken je in het diepst van je ziel, met een machtige huivering het mysterie van die andere wereld die erin verborgen ligt oproepend en openbarend." In 1914 volgt zijn benoeming als hoogleraar in Breslau, enkele jaren later gevolgd door die in Marburg. Vanuit heel de wereld stromen studenten naar zijn colleges. Als in 1917 "Das Heilige" verschijnt, wordt het in het Frans, Engels, Italiaans, Nederlands, Spaans, Zweeds en Japans vertaald. Otto legt een verzameling objecten en cultische voorwerpen uit allerlei godsdiensten aan, die tegenwoordig nog als "Religionskundliche Sammlung" in Marburg te zien is. Mensen die hem ontmoetten, raakten van hem onder de indruk, "meer dan van zijn persoonlijkheid, van een eigenaardige macht en mysterie achter hem, alsof hij een andere wereld toebehoorde. Men voelde het, als hij zweeg", schrijft vergelijkend godsdiensthistoricus Rudolph Boeke. Ondanks alle ontmoetingen leidde Otto een eenzaam leven, op zijn wandelingen slechts vergezeld van zijn hond Flapp. Een enkele keer zong hij in zijn tegen de berg gebouwde woning een lied. Otto geeft verder handreikingen die in huidige discussies over bijbeltaal en liturgische liedteksten een rol zouden kunnen spelen. "Hoe komt het", vraagt hij, "dat juist de ouderwetse en inmiddels soms ondoorzichtige uitdrukkingen in bijbel en gezangboek en de 'andere' manier van zeggen in beide, dat zelfs de half of geheel onverstaanbaar geworden cultustaal de vroomheid geen afbreuk doen maar juist vergroten? Is dat ouderwetse liefhebberij of alleen het blijven hangen aan het overgeleverde? Zeker niet. Het komt doordat het gevoel van het mysterie, van het "gans andere", hierdoor opgewekt wordt en zich hieraan vasthecht." Otto geeft verder handreikingen die in huidige discussies over bijbeltaal en liturgische liedteksten een rol zouden kunnen spelen. "Hoe komt het", vraagt hij, "dat juist de ouderwetse en inmiddels soms ondoorzichtige uitdrukkingen in bijbel en gezangboek en de 'andere' manier van zeggen in beide, dat zelfs de half of geheel onverstaanbaar geworden cultustaal de vroomheid geen afbreuk doen maar juist vergroten? Is dat ouderwetse liefhebberij of alleen het blijven hangen aan het overgeleverde? Zeker niet. Het komt doordat het gevoel van het mysterie, van het "gans andere", hierdoor opgewekt wordt en zich hieraan vasthecht." Sprookje Er gaat een oud sprookje, dat in allerlei vormen bij veel volken voor komt. Hoofdmotief is het meisje dat of de jongen die alleen achter worden gelaten in een groot kasteel. Van alle kamers krijgt de sprookjesheld de sleutels in handen, op één kamer na. Lezing van "Das Heilige" bepaalt weer eens bij wat we al wisten, maar hier onnavolgbaar geformuleerd vinden: dat er een verborgen kamer is, waaromheen al het menselijk hopen en vrezen zich beweegt. Na lezing van het adembenemende "Das Heilige" blijf je als lezer verbaasd achter over Otto's diepzinnigheid en subtiele inzichten. Deze man brengt het denken voor een moment tot stilstand.NBC/BiblionRecensie door Drs. J. KleisenDit bewonderenswaardige boek is in godsdienstwetenschap en -filosofie nog altijd een topper. Hoewel het heilige ook rationele kanten heeft, zoekt Otto het meest eigene van het religieuze in de niet-rationele ervaring van 'het numineuze': in wat ons diep aangrijpt en ontroert zonder dat wij het nu direct kunnen benoemen. Vandaar het befaamde, door hem geijkte begrip 'mysterium tremendum et fascinosum': het mysterie dat ons doet huiveren en tegelijk ook fascineert, terwijl het zich onttrekt aan onze begrippen. In zijn onderzoek van het heilige, dat hij prachtig weet te verwoorden, betrekt hij behalve de bijbel en niet-christelijke godsdiensten ook poezie en kunsten als muziek. Wie zijn godsbegrip zoekt te verhelderen, kan niet om dit boek heen. Daniël Mok heeft de tweede druk uit 1963 van deze vertaling stilistisch gemoderniseerd en aan de oorspronkelijke vertaling soms bladzijdenlange, overigens op zich zinvolle, passages toegevoegd.